Il Grand' Inquisitor

Simon Keenlyside in Zeist

Het Liedfestival Zeist werd gisteren afgesloten met een liedrecital van Simon Keenlyside en Malcolm Martineau... maar voor het zover was, waren er nog drie andere recitals te horen met jonge zangers.

De afgelopen week waren er de gebruikelijke masterclasses. Naast de vaste waarden, Robert Holl en Hans Eijsackers, werden dit jaar ook Olaf Bär, Bernarda Fink en de pianiste Pauliina Tukiainen (die eerder het fantastische recital met Arttu Kataja gespeeld had) als master uitgenodigd. Gisteren presenteerden de liedduo's het resultaat van hun werk. Voor mij waren er twee duo's die eruitsprongen: de mezzo Verena Kronbichler met pianist Giuseppe D'Elia, en vooral de bariton Lars Conrad met pianist Daniel Prinz.

's Namiddags hoorden we twee korte recitals van ongeveer 45 minuten. Sopraan Justyna Khil en pianiste Rozalia Kierc hadden vorig jaar de ILFZ-prijs bij het IVC gewonnen en werden uitgenodigd om hun programma "The Age of Anxiety", naar het gelijknamig gedicht van W.H. Auden, in Zeist op te voeren. Het is een theatraal recital in drie bedrijven, voorafgegaan door een korte compositie van Kierc Many have perished (uit het Auden-gedicht). Op de achtergrond wordt een video geprojecteerd met overwegend oorlogsbeelden.

In het eerste bedrijf staat de oorlog centraal, met bijvoorbeeld Eislers Kriegslied eines Kindes (uit Khils vertolking blijkt dat het kind op het einde goed weet wat er aan de hand is) of Noël des enfants qui n'ont plus de maisons van Debussy uitgevoerd met toenemende wanhoop. Het tweede bedrijf is meer cabaretesk met onder andere Fêtes galantes. In het derde bedrijf blijft enkel het verdriet en een wanhopige toekomst over. Het is een goed uitgedacht programma dat duidelijk de bedoeling had om het publiek plat te slaan met de gruwel van oorlog. Maar om een of andere reden raakte het mij toch niet. Het ligt misschien aan Justyna Khil die een vrij harde sopraan heeft, waarmee ze weinig empathie oproept bij mij. Ofwel ben ik de dagdagelijkse Oekraïense oorlogsbeelden al zo gewoon geworden dat onverschilligheid overheerst...

De mezzo Ellen Pearson en pianiste Francesca Lauri hadden het Young Artist Platform in Oxford gewonnen en kwamen hun recital ook in Zeist voorstellen. Zij brachten een luchtiger programma met liederen rond de vier seizoenen, met één lied per maand. Aan het begin van elk seizoen lichtte Pearson alle liederen toe, wat eigenlijk overbodig was en iets te belerend overkwam.

Ze begonnen in augustus met Brittens Last Rose of Summer en eindigden een jaar later in september met L'été van Cécile Chaminade. Ze waren nogal vrij in de keuze van hun liederen. Ik zie bijvoorbeeld niet meteen een reden waarom An den Mond bij de herfst zou horen, of Nacht und Träume in de winter thuishoort. Pearson heeft een aangename stem, maar er zijn nog wat storende onvolkomenheden. Im Dorfe klonk moeizaam, terwijl ik het typische Messiaen-coloriet niet hoorde in Pourquoi. Mozart ligt haar dan weer wel, met Das Veilchen als hoogtepunt van hun recital.

Eergisteren interviewde Hans Haffmans Simon Keenlyside, waarin hij het onder andere had over het verschil tussen liederen en opera zingen. Opera zingen is gemakkelijk voor hem omdat hij dan in een rol kan kruipen, maar een liedrecital is zenuwslopend omdat hij dan zichzelf is. Die nervositeit heeft hij altijd gehad, maar het lijkt met het ouder worden nog erger te worden. Hij loopt rond, kijkt naar het plafond, begint plots zijn bril te poetsen, of zwaait met zijn armen. Kortom... hij doet alles wat men de jonge zangers in masterclasses probeert af te leren. Na de pauze leek hij wat te kalmeren, misschien omdat hij voelde dat hij voor een ontvankelijk, liedminnend publiek stond.

Ze begonnen met een selectie Wunderhorn-liederen van Mahler en een verbluffende Des Antonius von Padua Fischpredigt. Ik zou me kunnen beperken door enkel zijn vertolking van dit lied te beschrijven. Elke strofe, elk woord zelfs, geeft hij een andere kleur, waardoor de opsomming van alle vissen een spannende vertelling wordt tot hij eindigt met een gefluisterde "Die Predigt hat g'fallen". In Verlorne Müh' zet hij twee onderscheiden karakters neer, zowel qua stemkleur als qua expressie... bij de laatste "Närrische Dinterle" kan ik me niet van de indruk ontdoen dat hij even terug Falstaff wordt (in het interview vertelde hij ook dat hij over drie jaar in Wenen met Falstaff afscheid wil nemen van het operapodium).

Met Malcolm Martineau aan de piano heeft hij de perfecte partner om er nog een extra laag kleur op te leggen. De piano stond trouwens 45 graden gedraaid, waardoor Martineau met de rug naar het publiek zat. Om een of andere reden speelde hij ook met de klep op de korte stok. Martineau speelt met een prachtige transparantie, laat de leeuweriken trillen in Frühlingsmorgen of evoceert dreigende kanonnen in Der Tamboursg'sell. Na een onverwacht loopje in Waldesfahrt van Strauss (beter bekend als Schumanns "Mein Wagen rollet langsam"), kijkt Keenlyside hem plots verbaasd aan (het is een lied dat me een beetje aan Baron Ochs deed denken). In Ständchen trippelt hij licht en ragfijn doorheen de pianopartituur. Wasserrose leek me dan weer een vreemde keuze voor Keenlyside, hij zingt de eerste strofe in quasi-Sprechgesang en probeert zijn stem slank te houden, maar de tessituur van het lied klinkt ongemakkelijk.

Na de pauze schakelden ze over op het Franse repertoire met een fenomenale uitvoering van Histoires Naturelles. Zijn foutloze uitspraak, aandacht voor de prosodie van het Frans en perfect geplaatste pauzes maken een spannende belevenis van bijvoorbeeld Le grillon (ook geniaal begeleid door Martineau). Le martin-pecheur is een voorbeeld van hoe hij met mezza voce zingen het publiek naar zich toe kan trekken. Desalniettemin was hij blijkbaar niet tevreden over zijn uitvoering en wond zich erover op dat hij na al die jaren nog altijd fouten maakte in Ravels cyclus. Ze eindigden met nog een handvol losse Franse liederen, waarbij hij soms vreemde interpretatieve keuzes maakte. In Duparcs Phidylé gaat hij van pastorale rust naar een of andere verscheurdheid, terwijl ik vooral erotiek verwacht in dit lied. Het gebruik van een kopstem op het einde van C leek me ook ongepast, terwijl dat in Fêtes galantes - "on voit des voyous" - iets beter paste.

We kregen niet minder dan drie bisnummers. Ze keerden terug naar het begin van het recital met Mahlers Hans und Grete en Strauss' Traum durch die Dämmerung, om te eindigen met Schuberts Im Abendrot.

Publicatie: zondag 24 mei 2026 om 20:53
Rubriek: Liedrecital