Il Grand' Inquisitor

Ilker Arcayürek, Andrè Schuen en Konstantin Krimmel in Hohenems

Op de eerste Schubertiade van 1976 mochten de drie Schubertcycli niet ontbreken. Ze stonden geprogrammeerd als de drie laatste liedrecitals, zo ook deze week.


(foto's © Schubertiade)

Vijftig jaar na Peter Schreier, Hermann Prey en (nog eens) Hermann Prey (telkens met Karl Engel aan de piano) hoorden we zaterdag Ilker Arcayürek en Ammiel Bushakevitz in Die schöne Müllerin en Andrè Schuen in Winterreise, en zondag Konstantin Krimmel in Schwanengesang. Daniel Heide was de pianist van dienst bij de twee laatste recitals.

Ilker Arcayürek begon nog vrij opgewekt aan Das Wandern, maar al vanaf Wohin? - "Ist das denn meine Strasse?" - sluipt er twijfel in het gemoed van de molenaarsknecht, en horen we zelfs iets van treurnis in Halt!. Ook Am Feierabend krijgt een trieste ondertoon mee. Wil hij deze cyclus als een soort flashback brengen (wat niet erg logisch is), of eerder als een soort onbetrokken verteller die weet hoe het gaat aflopen (maar dan wel in zijn toon de clou al weggeeft) ? Hoe dan ook zal het een onevenwichtige Müllerin worden. Zeker na het vocaal debacle van Ungeduld (hij heeft zijn passaggio nog altijd niet op orde), verzandt hij in nietszeggendheid, tot hij met Pause de draad weer opneemt... weliswaar met vreemde pauzes in het begin of ritardando's op het einde van het lied.

Het dramatisch hoogtepunt van Der Jäger en Eifersucht und Stolz doet hij wel goed, met in dat laatste lied wel een zinvolle vertraging als hij het beekje aanspreekt: "Geh', Bächlein, hin und sag' ihr ...". Het cruciale slot van Der Müller und der Bach passeert dan weer onopgemerkt. Des Baches Wiegenlied was wel goed, een van de weinige strofische liederen waarin hij wat variatie kon brengen. Gelukkig was er Bushakevitz om alle emoties in de piano uit te drukken, die Arcayürek vergeten was. Kortom, niet meteen een Müllerin om te onthouden.

In vergelijking met zijn vertolking vijf jaar geleden begint de Winterreise van Andrè Schuen meer vorm en samenhang te krijgen. We horen nog een liefdevol moment in Gute Nacht: "will dich im Traum nicht stören". Het is een zeldzaam teder moment in zijn vertolking. Het einde van Frühlingstraum is er nog zo één, waar de Wanderer nog even terugdenkt aan mooie herinneringen. Maar uit de manier waarop hij het laatste vers van Die Wetterfahne uitspuwt - "ihr Kind ist eine reiche Braut" - blijkt dat de rancune diep zit. Erstarrung kent nog een moment van zelfmedelijden. Een mezza voce gezongen "du fändest Ruhe dort" aan het einde van Der Lindenbaum zullen profetische woorden blijken te zijn.

Het emotionele kantelpunt komt in Der greise Kopf. Er speelt een glimlach rond Schuens mond bij "da glaubt' ich schon ein Greis te sein". Het is het begin van een lange waanzinscène. Hij vertraagt de uitroep "wie weit noch bis zur Bahre!" en maakt er een vraag van die hij aan publiek stelt. Dan gaat het steil bergaf met een snelle Die Krähe of een hooghartigheid in Im Dorfe tegenover de slapende mensen die niet weten welke pijn er buiten allemaal passeert. Het einde van Der Wegweiser - "eine Strasse muss ich gehen, die noch keiner ging zurück" - wordt eindeloos herhaald met dezelfde expressie. Het aangekondigde einde maalt rond in zijn hoofd, tot hij verlossing vindt bij Der Leiermann met een morendo uitgevoerde "willst zu meinen Liedern deine Leier drehn?"...

Nee, het komt niet meer goed met deze Wanderer, maar Schuen en Heide kregen een terechte ovatie.

Na München en Schwarzenberg was het de derde keer dat ik Krimmel in Schwanengesang hoorde. De vorige keren had hij de liedvolgorde aangepast, nu houdt hij zich aan de volgorde van 1976.

Die Taubenpost wordt het slot van vijf Seidl-liederen, die een soort palindroom vormen, symmetrisch opgebouwd rond het centraal geplaatste Der Wanderer an den Mond, wat hij met veel melancholie zong. Zo wordt Die Taubenpost de tegenhanger van Im Freien waarmee hij het recital begonnen was met mooie nachtelijke schilderingen. Voor Der Wanderer an den Mond herneemt hij de Sehnsucht die hij in het eerste recital deze week ook zong. Maar buiten de context van dat eerdere programma is het nu allemaal wat positiever met een stralend slot "Dann fühl' ich, dass ich singen darf". Als tegenhanger zingt hij Am Fenster met een vertragende slotstrofe.

Schwanengesang werd uitgevoerd in de gepubliceerde versie, maar wel eerst de Heine-liederen, en na de pauze de Rellstab-liederen. Alhoewel de herschikte Heine-liederen dramaturgisch logischer zijn, creëert de oorspronkelijke volgorde wel een andere dynamiek tussen de liederen. In vergelijking met vorig jaar wordt hij nu niet verleid om zijn stem te forceren, mogelijks omdat de twee dramatische liederen ver van elkaar verwijderd staan. Zo begint hij met een promethiaanse Der Atlas en eindigt hij met een aangrijpende vertolking van Der Doppelgänger, waarin zijn mooie forte de zaal doet daveren. Ihr Bild en Die Stadt werden op dezelfde manier opgebouwd: de eerste twee strofen zingt hij als een standbeeld, quasi-expressieloos, om telkens in de laatste strofe zijn stem open te laten bloeien... "Wo ich das Liebste verlor". Die "Liebste" verwijst dan naar Das Fischermädchen als een soort onbekende Winterreise-geliefde.

De Rellstab-liederen openen met een lieftallige en piano uitgevoerde Liebesbotschaft, meer dolcissimo krijgen we even later in het beroemde Ständchen. Het drama komt in het midden van de reeks met een donkere Aufenthalt waar Krimmel zich voor zijn interpretatieve keuzes laat inspireren door "fliessen die Tränen mir ewig erneut". Voor het slot van In der Ferne verwijst hij dan weer naar Der Atlas. Met Abschied bewijst hij nog maar eens wat een ongeëvenaarde vertolker hij is van het strofische lied. Bij mindere zangers zit je de strofen af te tellen tot het einde, bij Krimmel is elke strofe weer een verrassing: vocale knipoogjes naar "ihr freundlichen Mägdlein", de evocatie van een stoere ridder "vorüber, ach, ritt ich so manchesmal", of elke "Ade" die toch weer wat aangepast wordt aan de situatie. Ronduit fenomenaal... en beloond met een instant staande ovatie, een zeldzaamheid bij de Schubertiade.

De Schubertiade had niet mooier kunnen eindigen, ware het niet voor nog twee bisnummers: de Schiller-Hoffnung en nog eens Willkommen und Abschied dat hij deze keer met iets meer nuances zong dan in het openingsrecital deze week.

Publicatie: maandag 4 mei 2026 om 19:06
Rubriek: Liedrecital