Il Grand' Inquisitor

Konstantin Krimmel in Schwarzenberg (2/3)

In de Schubert-trilogie van Konstantin Krimmel en Ammiel Bushakevitz waren we gisteren aanbeland bij Winterreise...


(foto © Schubertiade Schwarzenberg)

Ze beginnen traag en rustig aan Gute Nacht, enkel tijdens de derde strofe - "Was soll ich länger weilen, dass man mich trieb' hinaus" - is er een korte uitbarsting die snel terug gaat liggen... tot de woede in alle hevigheid terugkeert in Die Wetterfahne, waarbij hij lelijke klanken niet schuwt: "wie auf dem Dach, nur nicht so laut". Het lijkt erop alsof we een vergelijkbare interpretatie zullen krijgen als drie jaar geleden. Ook toen was er een constante afwisseling tussen het liefdevol terugdenken aan het verleden en de onstuimige rancune als de Wanderer geconfronteerd wordt met zijn huidige situatie.

Maar er zijn ook opmerkelijke verschillen. De dominerende woedegevoelens zijn nog iets extremer. Deze Winterreise is ook beduidend trager, en is met meer dan 75 minuten zelfs extreem traag te noemen. Maar die traagheid vervalt niet in lethargie, daarvoor gebeurt er teveel. De hartekreet die hij op het einde van Gefrorne Tränen uitschreeuwt - "als wolltet ihr zerschmelzen des ganzen Winters Eis" - verbindt hij met de "heisse Tränen" van Erstarrung. Der Lindenbaum wordt verpersoonlijkt als een soort Erlkönig die hem probeert te verleiden "hier findst du deine Ruh'".

Na hun Müllerin drie dagen eerder, is het onwaarschijnlijk dat daar niets is van blijven hangen... want in Wasserflut verschijnt ook plots een beekje dat als drager van zijn tranen optreedt. De nadruk waarmee Krimmel "nimmt dich bald das Bächlein auf" zingt, doet echter vermoeden dat deze Wanderer misschien ook met het idee speelt om in het water rust te zoeken, zoals de lindenboom hem vroeg. Daarenboven spreekt hij in Auf dem Flusse ook het beekje op een spottende manier aan: "wie still bist du geworden, gibst keine Scheidengruss". Kortom, we zijn amper zeven liederen ver en we zitten al op een onstopbare roetsjbaan van ideeën en emoties.

Zo'n extreme vertolking is uiteraard moeilijk vocaal vol te houden. Gelukkig bouwt hij ook rustmomenten in. Rast zingt hij als een wiegenlied, Der greise Kopf wordt een moment van introspectie, Das Wirtshaus een requiem voor een aangekondigde dood. Aan de klemtonen die Krimmel legt, kan er inderdaad geen twijfel over bestaan dat de cyclus niet goed zal aflopen voor deze Wanderer.

Het einde van Irrlicht is een eerste indicatie: "jeder Strom wird's Meer gewinnen, jedes Leiden auch sein Grab". Maar het echte moment van openbaring is het slot van Die Krähe: "Krähe, lass mich endlich sehn Treue bis zum Grabe". Krimmel spreidt zijn armen uit en kijkt naar boven. Hij is klaar om de dood te aanvaarden. Dit wordt nog verder duidelijk in de nadruk waarmee hij in Der Wegweiser "... und suche Ruh'" zingt, terwijl Bushakevitz meedogenloos het doodsklokje luidt. Der Leiermann wordt tenslotte een emotieloze afronding. Krimmel staat onbeweeglijk als in trance. Hij is een verteller geworden die het finale lot van de Wanderer beschrijft.

Stilte...

En een tweede staande ovatie was hun deel...

Publicatie: donderdag 28 augustus 2025 om 13:31
Rubriek: Liedrecital